Gedicht van Horatius (ca. 35 v.Chr. – Italië)

‘Gelukkig is de man die ver van het zakenleven, zoals de mensen van weleer,
de akkers zijner vaderen met eigen ossen afbeult, van elke schuldenlast verlost,
en niet op veldtocht ruw ontwaakt door een trompet noch huivert voor een boze zee,
het Forum weet te mijden en de trotse drempels van de voorname burgerstand.
Hij bindt de uitgegroeide ranken van een wijnstok aan hoge populieren vast,
of ziet vanuit de verte in een dal het zwerven van zijn loeiend rundertal,
snoeit met zijn sikkel nutteloze takken weg terwijl hij ent wat vruchten draagt,
of perst de honing in gereinigde amforen en scheert zijn kudde zwakke schapen.
Maar als de herfst zijn hoofd, gesierd met rijpe appels, vanuit de boomgaard hoog verheft,
wat plukt hij blij de peren die veredeld zijn en druiven strijdend met het purper,
om U ermee te eren, Priapus, en U, vader Silvanus die het land beschermt!
Hij ligt verzaligd aan de voet van een oude eik of anders in het dichte gras,
terwijl een beekje langs de steile oevers glijdt, de vogels klagen in het bos
en bronnen in zijn oren fluisteren met hun water dat lokkend tot een slaapje noodt.
Maar als het winters jaargetij van de Dondergod weer sneeuw en regenbuien brengt,
drijft hij de wilde zwijnen met een meute honden vast in de versperringen,
spant wijde netten met een gladde vogelknip die hongerige lijsters fopt,
en strikt een bangig haasje of een vreemde trapgans, een smakelijke jachttrofee.
Wie zal de zorgen die de liefde met zich brengt, ondertussen niet vergeten?
Maar als een ingetogen vrouw de zorgen deelt voor het huis en lieve huisgezin
– als een Sabijnse of door de zon gebruinde vrouw van een jager uit Apulië –
met oude blokken hout een heilig haardvuur aanlegt, wachtend op haar vermoeide man,
of achter de omheining het blije vee bijeen sluit, de strakgespannen uiers leegt
en uit een lekker vaatje jonge wijn gaat tappen bij een maal uit eigen tuin,
dan kunnen Lucrijnse oesters mij niet méér bekoren, geen tarbot of ander zeebanket
dat door een donderende stormwind uit het oosten naar onze zee gedreven is,
dan daalt geen Afrikaans gevogelte mijn buik in, geen hazelhoen uit Jonië,
met aangenamer smaak dan een handjevol olijven van vette takken afgeplukt,
of zuring, welig in het weiland groeiend, malve, zo gezond voor een ziek lijf,
of lamsvlees versgeslacht op het feest van Terminus of een bokje aan een wolf ontrukt.
Wat heerlijk bij zo’n maal te zien hoe volgegeten schapen zich haasten naar hun stal,
en hoe vermoeide ossen de omgedraaide ploegschar met slappe nekken huiswaarts slepen,
een schare slaven, beeld van rijkdom, zich posteert rond het welvarend huisgezin.’
Na deze woorden heeft de bankier Alfius, die o zo nodig boer moest worden,
op de Idus al zijn geld geïncasseerd om het op de Kalendae uit te lenen.
(vertaald uit het Latijn door Piet Schrijvers)

